Antwoorden week 14 van 22-06-2020


Vraag 1:

Dummy noord SCHOPPEN A 3 2. Jouw oost hand bevat SCHOPPEN B 5 4.
De leider speelt uit de hand SCHOPPEN 10 voor.

A: Alleen als je ervan overtuigd bent dat jouw partner SCHOPPEN Vrouw of SCHOPPEN Heer zal bijspelen,
     mag jij SCHOPPEN 4 al vast in jouw hand nemen.
B: Pas als jouw partner SCHOPPEN Vrouw of SCHOPPEN Heer heeft bijgespeeld,
     mag je SCHOPPEN 4 alvast in je hand nemen.
C: Je mag SCHOPPEN 4 pas in je hand nemen nadat de leider een kaart van dummy heeft gespeeld.


 Vraag 2:

Artikel 74 gaat over optreden en fatsoen.
In dat artikel staan verschillende gedragsregels voor de spelers, waaronder:

A: zijn eerlijke mening geven in correct Nederlands en op beschaafde toon.
B: voorkomen dat ergernis of verlegenheid ontstaat bij zijn tafelgenoten.
C: op vriendelijke wijze vertellen op welke wijze zijn tafelgenoten het nóg beter hadden kunnen doen.
D. een felle woordenwisseling tussen twee tegenstanders respecteren.


Vraag 3:

Jouw rechtertegenstander opent 2 RUITEN; je linker tegenstander alerteert en legt desgevraagd uit dat dat Multi is.
Jij weet wat dat betekent, maar ook dat jouw partner dat niet weet.
Om die reden vraag je wat de Multi precies inhoudt.

A: Dat mag je doen.
B: Dat mag je niet doen.


Vraag 4:

Je hebt met jouw partner de afspraak gemaakt dat jullie 3-openingen in een kleur een zwakke hand beloven met lengte in de aangrenzende hogere kleur.
Zo belooft een 3 RUITEN-opening 6-9 punten en een 7-kaart HARTEN.

A: Deze afspraak moet je voor aanvang van elke ronde melden aan de nieuwe tegenstanders, het pré-alert.
B: Deze afspraak moet op jullie systeemkaart staan.
C: Deze afspraak moet je alerteren.
D: Zowel het pré-alert, melding op de systeemkaart als alerteren is verplicht.


Vraag 5:

Als je wilt stoppen met je vaste bridgepartner:

A: is hij de eerste die dat hoort.
B: vertel je dat nadat je een volgende partner hebt gevonden.
C: vertel je dat na afloop van de competitie.